ECLI:NL:RBDHA:2021:4948
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot machtiging verplichte zorg op basis van zelfbindingsverklaring
De rechtbank Den Haag behandelde op 22 april 2021 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan schizofreniespectrum- en persoonlijkheidsstoornissen.
Tijdens de procedure werd betrokkene in de gelegenheid gesteld een zelfbindingsverklaring op te stellen, waarin hij samen met zijn behandelaren afspraken maakte over vrijwillige zorg en de voorwaarden waaronder verplichte zorg eventueel noodzakelijk zou zijn. Deze verklaring werd ondertekend door betrokkene, de zorgverantwoordelijke en de geneesheer-directeur.
De rechtbank oordeelde dat op basis van deze zelfbindingsverklaring voldoende mogelijkheden bestaan voor zorg op vrijwillige basis, waardoor niet langer wordt voldaan aan de criteria voor het verlenen van een zorgmachtiging volgens artikel 3:3 Wvggz Pro. De rechtbank wees het verzoek daarom af.
De behandeling vond deels telefonisch plaats vanwege COVID-19 maatregelen, waarbij diverse betrokkenen werden gehoord. Betrokkene gaf aan stabiel te zijn en klaar om ambulant behandeld te worden door Fivoor. De rechtbank stelde vast dat de zelfbindingsverklaring de autonomie van betrokkene bevordert en dat een nieuwe beoordeling mogelijk is indien zich een nieuwe noodsituatie voordoet.
Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen vanwege de mogelijkheid tot vrijwillige zorg op basis van de zelfbindingsverklaring.