ECLI:NL:RBDHA:2021:4946
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling wegens onvoldoende onderbouwing onmiddellijk dreigend ernstig nadeel
De zaak betreft een verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een 95-jarige cliënt met beginnende dementie. De cliënt werd in april 2021 in bewaring gesteld nadat hij zijn huis had verlaten op zoek naar zijn vrouw, die in een hospice verbleef en recent was overleden.
Tijdens de zitting bracht de cliënt naar voren dat hij vrijgelaten wilde worden omdat hij zich goed voelde en niemand op hem hoefde te letten. De specialist ouderengeneeskunde en verzorgende bevestigden echter dat er sprake is van cognitieve achteruitgang en dwaalgedrag, met risico op ernstig lichamelijk letsel en verwaarlozing. De advocaat van de cliënt voerde aan dat het dwaalgedrag incidenteel is en niet voldoet aan de wettelijke criteria voor voortzetting.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is onderbouwd dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door de psychogeriatrische stoornis. Het dwaalgedrag lijkt samen te hangen met de recente ziekte en het overlijden van de echtgenote. Daarom wordt het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen.
Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.