ECLI:NL:RBDHA:2021:4628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielzoeker aan Frankrijk op grond van Dublinverordening
De zaak betreft een beroep van een asielzoeker tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De asielzoeker stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege de situatie in Frankrijk, mede door het coronavirus en zijn medische problematiek. Hij verwees naar het EHRM-arrest N.H. en het recente AIDA-rapport over Frankrijk.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met die in het N.H.-arrest. Ook werd geoordeeld dat de medische toestand van eiser geen aanleiding gaf tot het vragen van individuele garanties volgens het Tarakhel-arrest.
De rechtbank concludeerde dat de overdracht aan Frankrijk niet leidt tot een schending van artikel 3 EVRM Pro en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker tegen de overdracht aan Frankrijk is ongegrond verklaard.