Eiser, van Moldavische nationaliteit, was gedurende een periode onrechtmatig in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank oordeelt dat de eerste maatregel van bewaring vanaf 2 april 2021 op een verkeerde grondslag berustte en daarom onrechtmatig was. Voor deze onrechtmatige detentie kent de rechtbank aan eiser een schadevergoeding toe van €600,- voor zes dagen verblijf in detentie.
De rechtbank beoordeelt tevens de daaropvolgende maatregel van bewaring die op 7 april 2021 is opgelegd op basis van een andere wettelijke grondslag. Deze maatregel wordt geacht op haar eigen merites te worden beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep tegen deze maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding daarvoor af, omdat de maatregel rechtmatig is.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser niet in strijd met het EVRM is behandeld door afstand te doen van zijn recht op zitting, vanwege zijn ziekte en quarantaine. Ook wordt het bezwaar van eiser tegen het late ondertekenen van de maatregel verworpen. De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten aan eiser's rechtsbijstandverlener.
De uitspraak bevestigt dat onrechtmatige detentie onmiddellijke invrijheidstelling vereist, maar sluit niet uit dat een gedetineerde aansluitend op een andere grondslag opnieuw kan worden gedetineerd indien daartoe redenen bestaan. De termijn voor de duur van de maatregel op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000 is nog niet verstreken, zodat hierover niet wordt geoordeeld.