ECLI:NL:RBDHA:2021:4085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2021
Publicatiedatum
22 april 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 948
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbHuisvestingswet 2014
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking omzettingsvergunning woning Den Haag

Verzoekers, eigenaren van een woning in Den Haag, vroegen om een vergunning voor omzetting van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woonruimte voor vijf personen. Na verlening van de vergunning in april 2020 werd deze door het college van burgemeester en wethouders ingetrokken in december 2020, mede op basis van een nieuwe beleidsregel die omzettingen beperkt vanwege negatieve effecten op woon- en leefmilieu.

Verzoekers stelden dat de beleidsregel en de intrekking in strijd zijn met de Huisvestingswet 2014 en hun eigendomsrechten schenden. Zij verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtsvragen complex en principieel zijn en dat een belangenafweging moet plaatsvinden.

De voorzieningenrechter gaf aan dat het financiële belang van verzoekers, hoewel substantieel, in de regel geen aanleiding geeft tot voorlopige voorzieningen, zeker niet zonder acute financiële noodsituatie. Het belang van het college bij het beschermen van het woon- en leefmilieu kreeg zwaarder gewicht. Ook verwees de rechter naar lopende vergelijkbare procedures die mogelijk gelijktijdig worden behandeld.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de omzettingsvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/948 HUISV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde mr. A.C.P.M. van Dun),
tegen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben verzocht om verlening van een vergunning voor het omzetten van de zelfstandige woning [straat] [huisnummer] te [plaats] (de woning) naar een onzelfstandige woonruimte voor vijf personen. Verzoekers zijn eigenaar van deze woning.
Bij besluit van 28 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekers de gevraagde omzettingsvergunning verleend.
Meerdere omwonenden van de woning hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, van wie enkele omwonenden de voorzieningenrechter hebben verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummers SGR 20/4732 BESLU en SGR 20/4688 HUISV).
Bij uitspraak van 28 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter deze verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot twee weken na de datum van de bekendmaking van de beslissingen op bezwaar. [1]
Bij besluit van 11 december 2020 (het bestreden besluit) is het primaire besluit herroepen, in die zin dat de aan verzoekers verleende omzettingsvergunning wordt ingetrokken en de aanvraag van verzoekers wordt afgewezen.
Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (SGR 21/469 HUISV). Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 21/948 HUISV).
Bij brief van 21 januari 2021 is aan verweerder in de beroepszaak verzocht om de stukken in te dienen die betrekking hebben op deze zaak.
Bij brief van 5 februari 2021 is verweerder verzocht om te reageren op het door verzoekers gestelde spoedeisend belang in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening.
Verweerder heeft niet gereageerd op deze brieven.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Rechtmatigheid besluit
2.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Verzoekers hebben onder meer aangevoerd dat de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 in strijd is met de Huisvestingswet 2014 en derhalve onverbindend dan wel buiten toepassing moet worden verklaard. In dat kader stellen verzoekers dat sprake is van het inperken van hun eigendomsrecht. Voorts is aangevoerd dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit de Beleidsregel omzettingsvergunningen Den Haag 2020 (de Beleidsregel), geldend vanaf 22 juni 2020, ten grondslag heeft gelegd, nu de Beleidsregel in strijd is met de Huisvestingswet 2014 en bovendien is gebaseerd op een ontoereikende en onjuiste motivering, zodat verweerder nimmer tot vaststelling van de Beleidsregel had kunnen besluiten. De Beleidsregel dient eveneens onverbindend dan wel buiten toepassing te worden verklaard. Indien de Beleidsregel niet onverbindend is, dan wel buiten toepassing dient te worden gelaten, had verweerder in dit geval de Beleidsregel niet mogen toepassen en had verweerder moeten toetsen aan het ten tijde van de vergunningaanvraag geldende beleid, hetgeen betekent dat de vergunning moest worden verleend.
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de gestelde rechtsvragen complex en van principiële aard zijn. Zij vergen nader onderzoek en lenen zich minder goed voor beantwoording in deze voorlopige voorzieningenprocedure. Daarbij is van belang dat verzoekers hebben meegedeeld dat in een aantal bezwaarprocedures en in inmiddels bij de rechtbank lopende beroepen dezelfde rechtsvragen aan de orde zijn. De vraag of vooruitlopend op voornoemde beoordeling een voorlopige voorziening moet worden getroffen, zal dan ook worden beantwoord aan de hand van uitsluitend een belangenafweging.
Belangenafweging
2.2.
Verweerder heeft het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van
7 december 2020 ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Daarin is vermeld dat de Beleidsregel tot stand is gekomen, omdat geconstateerd is dat omzetting naar onzelfstandige woonruimten heeft geleid tot een onaanvaardbare inbreuk op het geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van betreffende panden. Het heeft aantoonbare gevolgen voor het wooncomfort, de leefbaarheid en sociale cohesie in woonwijken.
Verzoekers betogen dat zij (spoedeisend) belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Zij hebben de woning gekocht en geïnvesteerd in de verbouwing van de woning. Zij hebben deze investering gedaan om deze terug te verdienen en daarmee rendement te behalen. Indien de vergunning niet herleeft gedurende de procedure, lopen zij huurinkomsten van ongeveer € 1.000,- per maand mis. Weliswaar is dit een financieel belang, maar dit dient zwaar te wegen nu dit belang wordt getroffen door een inbreuk op het eigendomsrecht van verzoekers door middel van het - oneigenlijk - gebruik door verweerder van de bevoegdheden uit de Huisvestingswet, aldus verzoekers.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze door verzoekers aangedragen belangen overwegend financieel van aard zijn. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. [2] Dat in het geval van verzoekers sprake is van een acute financiële noodsituatie die zou nopen tot het maken van een uitzondering op deze hoofdregel, is gesteld noch gebleken.
De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het belang van verzoekers bij een voorlopige voorziening niet gelegen kan zijn in de financiële belangen van verweerder, die, volgens verzoekers, een aanzienlijk financieel risico loopt indien de beroepen gegrond worden verklaard. Dit betreft niet het eigen belang van verzoekers, zijnde degenen op wie het bestreden besluit betrekking heeft. [3]
Verzoekers stellen dat reden bestaat om het verzoek toe te wijzen, vanwege de onbegrijpelijke keuze van verweerder om een totaalverbod in te voeren op onzelfstandige woonruimte (met meer dan drie bewoners) voor de gehele gemeente. Het staat volgens verzoekers vast dat de gemeente Den Haag een grote behoefte heeft aan onzelfstandige woonruimte en met deze keuze wordt het tekort aan dergelijke woonruimte nijpend. De voorzieningenrechter overweegt dat dit belang raakt aan (de beantwoording van) genoemde rechtsvragen (zie 2.1.), waarvoor deze procedure zich niet leent.
De voorzieningenrechter ziet bij de afweging van de bij het verzoek betrokken belangen vooralsnog geen aanleiding het verzoek toe te wijzen. Aan het belang van verweerder bij een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van betreffende panden wordt vooralsnog zwaarder gewicht toegekend dan aan het (financiële) belang van verzoekers bij schorsing van het bestreden besluit.
Voor zover verzoekers hebben gewezen op vergelijkbare aanhangige beroepen, zal de rechtbank ernaar streven om de betreffende beroepen, indien deze zich daartoe lenen en voor zover mogelijk, gelijktijdig te behandelen.
3. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
3.Vergelijk de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van