ECLI:NL:RBDHA:2021:4085
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking omzettingsvergunning woning Den Haag
Verzoekers, eigenaren van een woning in Den Haag, vroegen om een vergunning voor omzetting van een zelfstandige woning naar een onzelfstandige woonruimte voor vijf personen. Na verlening van de vergunning in april 2020 werd deze door het college van burgemeester en wethouders ingetrokken in december 2020, mede op basis van een nieuwe beleidsregel die omzettingen beperkt vanwege negatieve effecten op woon- en leefmilieu.
Verzoekers stelden dat de beleidsregel en de intrekking in strijd zijn met de Huisvestingswet 2014 en hun eigendomsrechten schenden. Zij verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtsvragen complex en principieel zijn en dat een belangenafweging moet plaatsvinden.
De voorzieningenrechter gaf aan dat het financiële belang van verzoekers, hoewel substantieel, in de regel geen aanleiding geeft tot voorlopige voorzieningen, zeker niet zonder acute financiële noodsituatie. Het belang van het college bij het beschermen van het woon- en leefmilieu kreeg zwaarder gewicht. Ook verwees de rechter naar lopende vergelijkbare procedures die mogelijk gelijktijdig worden behandeld.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de omzettingsvergunning wordt afgewezen.