ECLI:NL:RBDHA:2021:3860
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening verblijf bij partner wegens ontbreken mvv-vrijstelling
Verzoekster, Venezolaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner in Nederland. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van het mvv-vereiste kon worden toegepast. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster onvoldoende bewijs leverde van een duurzaam en exclusief gezinsleven met haar partner, mede omdat geen recente geapostilleerde ongehuwdverklaring uit Venezuela was overgelegd. Ook de door haar overgelegde verklaringen van familie en vrienden boden onvoldoende bewijs. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro werd door verweerder zorgvuldig uitgevoerd en viel in het nadeel van verzoekster uit.
Verzoekster voerde medische omstandigheden en COVID-19 reisbeperkingen aan, maar deze werden niet voldoende onderbouwd om vrijstelling van het mvv-vereiste te rechtvaardigen. Ook het opgelegde inreisverbod voor twee jaar werd gehandhaafd, aangezien geen humanitaire redenen of onmogelijkheid tot vertrek waren aangetoond.
Gelet op het spoedeisend belang en de gebleken feiten, concludeerde de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gezinsleven en geen vrijstelling van het mvv-vereiste.