ECLI:NL:RBDHA:2021:3760
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Geen opvolgend werkgeverschap; dienstjaren vorige werkgever tellen niet mee voor transitievergoeding
Werknemer was sinds 1 oktober 1997 in dienst bij Asito en verrichtte werkzaamheden bij het ministerie van OCW. Per 1 oktober 2012 ging het schoonmaakcontract naar CSU, waar werknemer in dienst trad en zijn werkzaamheden voortzette. Werknemer werd arbeidsongeschikt en na een lange periode werd de arbeidsovereenkomst opgezegd met toekenning van een transitievergoeding.
Werknemer vorderde een hogere transitievergoeding omdat hij stelde dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en dat zijn dienstjaren bij Asito mee moesten tellen. Hij baseerde zich onder meer op een brief van Asito die zou bevestigen dat dienstjaren zouden worden meegenomen. CSU betwistte dit en stelde dat er geen opvolgend werkgeverschap was en dat de brief niet aan haar kon worden tegengeworpen.
De kantonrechter volgde de criteria uit het arrest Van Tuinen/Wolters voor situaties vóór 1 juli 2015 en oordeelde dat het zogenaamde bandencriterium niet was vervuld. Er was onvoldoende bewijs dat CSU en Asito zodanige banden hadden dat dienstjaren konden worden toegerekend. Ook de brief van Asito kon niet tegen CSU worden ingebracht. De transitievergoeding van € 1.906,88 was correct en het verzoek werd afgewezen.
Partijen dragen elk hun eigen proceskosten. De beschikking is uitgesproken door kantonrechter Luiten op 14 april 2021.
Uitkomst: De transitievergoeding is correct berekend zonder dienstjaren van de vorige werkgever; verzoek werknemer wordt afgewezen.