ECLI:NL:RBDHA:2021:3601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel en inreisverbod wegens openbare orde en strafrechtelijke veroordelingen
Eiser, een Eritrese staatsburger met een afgeleide verblijfsvergunning asiel, werd geconfronteerd met intrekking van zijn vergunning met terugwerkende kracht tot 5 oktober 2015, afwijzing van zijn verlengingsaanvraag en een tienjarig inreisverbod. Deze maatregelen volgden op onherroepelijke veroordelingen wegens mishandeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en vernieling, en een eerdere veroordeling voor belediging van een politieagent.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was, mede op basis van de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit en het beleid in de Vreemdelingencirculaire. Eiser stelde dat de intrekking disproportioneel was en dat hij aanspraak kon maken op bescherming op grond van artikel 29 Vreemdelingenwet Pro, maar dit werd verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een beschermenswaardig familie- en privéleven.
De rechtbank concludeerde dat de gezinsband met de vader tijdens detentie feitelijk was verbroken en dat het privéleven van eiser in Nederland marginaal was. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eiser uit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het inreisverbod en de intrekking van de verblijfsvergunning bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod is ongegrond verklaard.