ECLI:NL:RBDHA:2021:3348
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen gedragsaanwijzing wegens vermeende overtreding demonstratierecht
Op 20 januari 2021 legde de officier van justitie aan appellanten een gedragsaanwijzing op wegens vermeende overtreding van artikel 11 van Pro de Wet openbare manifestaties (Wom). De gedragsaanwijzing verbood appellanten gedurende 90 dagen zich te bevinden in de directe omgeving van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat te Den Haag.
Appellanten voerden aan dat de gedragsaanwijzing niet voldeed aan wettelijke vereisten, disproportioneel was en hun grondrechten op vrije meningsuiting en demonstratie onaanvaardbaar beperkte. De officier van justitie stelde dat de openbare orde ernstig was verstoord en vrees voor herhaling bestond.
De rechtbank oordeelde dat hoewel appellanten zich mogelijk schuldig maakten aan een overtreding van artikel 11 Wom Pro, de ernst van het feit onvoldoende was om te spreken van een ernstige verstoring van de openbare orde. Er was geen samenhang met andere strafbare feiten en geen gegronde vrees voor herhaling. De opgelegde gedragsaanwijzing was daarom disproportioneel en schond het grondrecht op demonstratie.
De rechtbank verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde de gedragsaanwijzing. Er werd verder niet ingegaan op andere aangevoerde gronden. De beslissing is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: De gedragsaanwijzing is vernietigd omdat de openbare orde niet ernstig was verstoord en de maatregel disproportioneel was.