Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[alias eiser] ,
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Chileense nationaliteit, verbleef in Nederland binnen de vrije termijn van drie maanden als toerist. Op 1 april 2020 werd hij aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een woninginbraak. Verweerder legde op 18 april 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op, omdat eiser niet rechtmatig verbleef en er een risico was op onttrekking aan toezicht.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verbleef binnen zijn vrije termijn en dat hij zijn paspoort per ongeluk niet bij zich had, waardoor zijn identiteit niet kon worden vastgesteld. Ook stelde hij dat het onredelijk was het terugkeerbesluit niet in te trekken nadat hij zijn paspoort alsnog overlegd had. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aannam dat eiser niet meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, mede doordat zijn vingertoppen beschadigd waren en hij geen contact wilde opnemen met de ambassade.
Verder stelde eiser dat de verdenking van een woninginbraak onvoldoende was voor het aannemen van een risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank stelde vast dat verweerder het terugkeerbesluit niet alleen op de verdenking baseerde, maar ook op meerdere zware en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
Ten slotte wees de rechtbank het argument van eiser af dat het terugkeerbesluit niet uitvoerbaar was vanwege de coronapandemie. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard.