ECLI:NL:RBDHA:2021:3103

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2021
Publicatiedatum
31 maart 2021
Zaaknummer
09/256421-20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijk geweld tegen goederen door besmeuren van ramen en draaideuren van het Ministerie van Economische Zaken

Op 31 maart 2021 heeft de politierechter in de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 12 oktober 2020 in Den Haag openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen. De verdachte heeft ramen en draaideuren van het Ministerie van Economische Zaken besmeurd met een zwarte substantie. De officier van justitie vorderde een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter sprak de verdachte vrij van de strafverzwarende feitelijkheid van vernieling, omdat de gedragingen niet onder de definitie van vernieling in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vallen. De politierechter oordeelde dat de handelingen van de verdachte niet als openlijk geweld in de zin van artikel 141 Sr. kunnen worden aangemerkt, omdat de handelingen niet gericht waren op het toebrengen van permanente schade aan de goederen. De politierechter overwoog dat de gedragingen niet onder de bescherming van artikel 10 en 11 van het EVRM vallen, omdat het besmeuren van het gebouw niet kan worden beschouwd als een vorm van meningsuiting. De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld tot een geldboete van € 400,- met een voorwaardelijke straf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Politierechter
Parketnummer 09/256421-20
Datum uitspraak: 31 maart 2021
Tegenspraak
De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
[geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
[adres 1]

1.De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 november 2020, 5 februari 2021 (beide pro forma) en 18 maart 2021 (inhoudelijk).
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Post. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft hij kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden, mr. C.J.M. van den Brûle en mr. J. van Lunen, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 12 oktober 2020 te 's-Gravenhage openlijk, te weten op de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een goed, te weten ra(a)m(en) en/of draaideur(en) door (met de handen) een zwarte substantie aan te brengen op voornoemde ra(a)m(en) en/of draaideur(en), terwijl hij, verdachte deze goederen opzettelijk heeft vernield.

3.Vrijspraak/bewijs

3.1.
Vrijspraak
De politierechter spreekt de verdachte vrij van de strafverzwarende feitelijkheid van het vernielen van de ramen/draaideuren.
De wetgever heeft de gedragingen die strafbaar worden gesteld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken, niet kort gekwalificeerd als vernieling (‘wordt, als schuldig aan vernieling, gestraft met’). Onder de term vernielen van artikel 141 Sr. vallen dan ook niet de andere drie gedragingen van art. 350 Sr.
In de wetgeschiedenis van art. 141 Sr. (aanvankelijk art. 154 Sr.) is opgemerkt “
Uit de voor de strafverzwaringen in geval van goederenvernieling en ligchaamsleed gekozen bewoordingen blijkt ondubbelzinnig, dat de zwaardere strafbedreiging is beperkt tot hen, die persoonlijk eenig goed hebben vernield[…]” (MvT, TK 1878-1879, 110, nr 3, p. 90). Toen al bevatte artikel 349 (aanvankelijk 379, thans art. 350) Sr., de vier verschillende gedragingen, zonder korte kwalificatie. Daarnaast impliceert de term goederenvernieling een vorm van schade die verder gaat dan onbruikbaarheid. In de wetgeschiedenis is derhalve evenmin aanleiding te vinden om onder het vernielen van artikel 141 Sr. ook onbruikbaar maken te verstaan.
3.2.
De bewijsmiddelen
De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Hij bezigt de volgende bewijsmiddelen.
1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting, -zakelijk weergegeven-:
“Ik was op 12 oktober 2020 op de [adres 2] in Den Haag. Ik heb die dag met biologisch afbreekbare stof zwarte handafdrukken achtergelaten op enkele ruiten en draaideuren van het Ministerie.”
2) Het proces-verbaal van bevindingen met nr. PL1500-2020307424-31 d.d. 13 oktober 2020, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag (pagina’s 72-73 doorgenummerd).
3.3.
Bewijsoverwegingen
Vast staat dat de verdachte op 12 oktober 2020 met haar handen een zwarte substantie op de ruiten van het Ministerie van Economische Zaken heeft aangebracht.
Deze zaak spitst zich in eerste instantie toe op de vraag of voornoemde feitelijke handelingen moeten worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 141 Sr.
Volgens de definitie uit Van Dale is geweld onder meer een ‘kracht die met hevigheid, onstuimigheid wordt uitgeoefend’. Van geweld in de zin van artikel 141 Sr. kan echter ook sprake zijn zonder het gebruik van kracht van een zekere intensiteit, zoals bij het bekladden van grafstenen en bij het met verf bespuiten/besmeuren van een bedrijfspand. Ook is niet nodig dat gebruik wordt gemaakt van moeilijk verwijderbare substanties; als eieren, waarmee een goed wordt besmeurd, voldoende zijn om de grens van artikel 141 Sr. te halen, dan ook het in dit geval gebruikte mengsel van plantaardige olie, koolstofpoeder en maizena.
Hoewel het plaatsen van zwarte handafdrukken op een ruit een handeling is die weinig kracht vergt, kan die in de context een zodanige betekenis krijgen dat zij als geweld in de zin van artikel 141 Sr. kan worden aangemerkt. Duidelijk is dat de handeling gericht was tegen het gebouw van het Ministerie en juist bedoeld was om enige indruk te maken. Verder kan de handeling schokkend zijn voor de personen in het openbare gebouw en voor de mensen buiten. Door het besmeuren gaat de vreedzame protestactie zich ineens tegen goederen richten, terwijl het voor personen binnen en omstanders niet duidelijk is of het wel bij besmeuren blijft en wanneer, waarmee en hoe de onaangekondigde demonstratie zal eindigen.
3.4.
De bewezenverklaring
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de politierechter de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
zij op 12 oktober 2020 te 's-Gravenhage openlijk, te weten op de [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
goederen, te weten ramen en draaideuren, door met de handen een zwarte substantie aan te brengen op voornoemde ramen en draaideuren.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, enerzijds omdat de aan verdachte verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in het kader van een demonstratie en vallen onder het begrip “symbolic conduct”, anderzijds omdat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk zou vormen op artikel 10 en 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De politierechter overweegt als volgt.
Artikel 10, eerste lid, EVRM luidt:
“Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. […]”
Artikel 11, eerste lid, EVRM luidt:
“Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.”
De door het EVRM gewaarborgde vrijheden zijn niet absoluut, zoals ook blijkt uit de tweede leden van deze bepalingen. De uitoefening van deze vrijheden brengt plichten en verantwoordelijkheden met zich en daarom kunnen zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van – onder meer – de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen.
De verweten gedraging is niet een vorm van vergadering of vereniging en hangt daar evenmin onlosmakelijk mee samen. Door strafbaarstelling van of vervolging voor dit openlijk geweld wordt dan ook niet het in artikel 11 EVRM bedoelde recht aangetast. Evenmin gaat van vervolging of veroordeling voor – heel kort gezegd – het besmeuren van ramen en draaideuren een
chilling effectop het uitoefenen van het recht op vergadering en vereniging uit. Van schending van artikel 11 EVRM is geen sprake.
Vervolgens ziet de politierechter zich voor de vraag gesteld of het met de handen aanbrengen van het zwarte mengsel op de ruiten van het Ministerie van Economische Zaken een vorm van meningsuiting is die beschermd wordt door artikel 10 EVRM.
Bij de beantwoording van die vraag heeft te gelden dat niet alleen de inhoud van ideeën en informatie wordt beschermd door artikel 10 EVRM, maar ook de vorm waarin die wordt overgebracht. Er hoeft niet enkel sprake te zijn van geschreven of gesproken taal; meningsuitingen kunnen vele vormen hebben, bijvoorbeeld ook de vorm van het fysiek verhinderen van bepaalde activiteiten. Bij het oordeel of een handeling valt binnen de reikwijdte van artikel 10 EVRM moet de aard van die handeling worden bezien, in het bijzonder het expressieve karakter daarvan vanuit een objectief gezichtspunt en het doel/de bedoeling van degene die handelt.
Het zichzelf (laten) overgieten met een zwarte vloeistof uit een jerrycan met het logo van een aardoliemaatschappij is het uiten van een mening. Het maakt, anders dan woordelijk, uit een objectief gezichtspunt op directe wijze en voldoende duidelijk dat men meent dat het werk van die maatschappij ver-/bevuilend is voor de mens.
Dat geldt niet voor het bevuilen van een gebouw met zwarte vloeistof, te minder nu het niet het gebouw van de bewuste oliemaatschappij is dat is besmeurd. Een ander oordeel zou betekenen dat het besmeuren van elk gebouw waarvan men enig verband met de aardoliemaatschappij meent te kunnen construeren of bijvoorbeeld van de benzine- of dieselauto van een ander, het uiten van een mening zou zijn. Dat kan niet als juist worden aanvaard.
De uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 oktober 2014, 9540/07 (Murat Vural v. Turkije) leidt de politierechter niet tot een ander oordeel. De handelingen van Vural, het gieten van verf over een standbeeld, richtten zich direct tegen het symbool van het systeem waartegen hij zich verzette. Het EHRM woog verder nadrukkelijk mee (onder 55) dat hij niet voor vandalisme, maar voor het beledigen van nagedachtenis van Atatürk werd vervolgd. Er is dan ook een wezenlijk onderscheid tussen die zaak en de zaak tegen verdachte.
Nu de verweten gedraging niet binnen de reikwijdte van artikel 10 EVRM valt, komt de politierechter aan de vraag of een inbreuk op artikel 10 EVRM gerechtvaardigd is niet toe.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
Voor zover de raadslieden hebben willen bepleiten dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen omdat de verdachte reeds voldoende zou zijn aangepakt, overweegt de politierechter dat de omstandigheid dat verdachte van haar vrijheid beroofd is of is geweest niets zegt over haar strafbaarheid.

6.De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen. Zij heeft samen met anderen ramen en draaideuren van het Ministerie van Economische Zaken besmeurd. De politierechter weegt mee dat weliswaar sprake lijkt te zijn geweest van een doordacht plan tot het plaatsen van handafdrukken op de ruiten en draaideuren, maar dat dit plan niet gericht was op het toebrengen van enige (permanente) schade. De samenstelling van de substantie waarmee het pand werd besmeurd leek zelfs zo te zijn uitgekiend, dat het zo onschadelijk mogelijk zou zijn. Toch werd door het besmeuren een grens overschreden, terwijl het juist voor een beroepsactivist, zoals verdachte zich omschrijft, van belang is dat zij zich rekenschap geeft van de grenzen.
Verdachte heeft een blanco strafblad.
De politierechter overweegt dat de door de verdachte verrichte feitelijke handelingen overeenkomsten vertonen met wat kan worden beschouwd als straatschenderij (baldadigheid), waarvoor in de regel geldboetes worden opgelegd. Bij straatschenderij ontbreekt in de regel echter het geplande karakter.
De gevorderde straf geeft uitdrukking aan alle genoemde omstandigheden, waarbij ook de draagkracht van verdachte is meegewogen. De politierechter acht de oplegging van die straf daarom passend en geboden. De aard van het feit noch de persoon van verdachte is dusdanig uitzonderlijk dat met schuldigverklaring zonder strafoplegging kan worden volstaan.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden.

8.De beslissing

De politierechter:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een geldboete ter hoogte van
€ 400,00 (vierhonderd euro);
bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen
door hechtenis voor de tijd van 8 (acht) dagen;
bepaalt dat die geldboete in het geheel
niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de haar opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht;
indien verdachte hoger beroep instelt tegen dit vonnis, is het verlofstelsel als bedoeld in artikel 410a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H.M. Smelt, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.C.S. Ramlal, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 31 maart 2021.