De rechtbank Den Haag behandelde op 18 maart 2021 het verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige en de machtiging tot uithuisplaatsing van drie andere minderjarigen. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en de kinderen verblijven deels in pleeggezinnen en een gezinshuis.
De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met zorgen over de hechtingsrelatie en emotionele beschikbaarheid van de moeder, ondanks haar positieve ontwikkelingen en hulpverlening. De machtiging tot uithuisplaatsing werd onderbouwd met de kwetsbaarheid en traumatische ervaringen van de drie andere minderjarigen, die allen intensieve zorg en begeleiding nodig hebben.
De moeder verzette zich tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en vroeg om een kortere termijn, terwijl zij instemde met de verlenging van de uithuisplaatsing van één kind. De rechtbank oordeelde dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling onvoldoende waren, gezien de positieve ontwikkeling van de moeder en het ontbreken van ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van de betreffende minderjarige.
De machtiging tot uithuisplaatsing werd wel verlengd, maar voor twee van de minderjarigen slechts voor drie maanden, met het verzoek aan de gecertificeerde instelling om binnen die termijn een feitelijk onderbouwd perspectiefbesluit te overleggen. De behandeling van het verzoek voor die twee kinderen werd aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
De beschikking werd mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 25 maart 2021, met mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.