ECLI:NL:RBDHA:2021:2984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
29 maart 2021
Zaaknummer
AWB 20/5707 en AWB 20/5231
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 8.7 derde lid onder a Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs reële en noodzakelijke ondersteuning uit Venezuela

Eiseres, afkomstig uit Venezuela, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning EU/EER, gebaseerd op materiële ondersteuning door haar oom, een EU-burger, in Venezuela. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna ook bezwaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar referent haar in Venezuela gedurende ten minste één jaar ononderbroken en regelmatig financieel heeft ondersteund. De ingediende verklaringen waren subjectief en werden niet ondersteund door objectief verifieerbare bronnen. Bankafschriften boden onvoldoende bewijs voor regelmatige en noodzakelijke ondersteuning.

Het enkele argument van eiseres dat het praktisch onmogelijk is om bewijs te leveren, leidt niet tot bewijsnood. De rechtbank bevestigt dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de ondersteuning niet aannemelijk is gemaakt, waardoor de aanvraag terecht is afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/5707 en AWB 20/5231
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 16 maart 2021 in de zaak tussen
[eiseres], geboren op [2002], met de Venezolaanse nationaliteit, eiseres/verzoekster (eiseres)
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.D. Schreuder).

Inleiding en procesverloop

Eiseres is afkomstig uit Venezuela. Op 3 september 2019 is zij Nederland ingereisd. Zij is opgevangen door haar oom en referent [referent] (de referent). De referent is burger van de EU. Eiseres heeft op 14 oktober 2019 een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] .
Bij besluit van 6 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, door de referent en door A.M. van den Berg-Bario als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres kan voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komen, als zij aantoont dat zij tot dan toe in Venezuela materieel werd ondersteund door de referent. [2] Deze ondersteuning moet reëel en noodzakelijk zijn. [3] Onder “reëel” verstaat verweerder dat de referent aan eiseres ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald die voor eiseres noodzakelijk is om in Venezuela in haar basisbehoeften te kunnen voorzien. Een ondersteuning is voor verweerder “noodzakelijk” als eiseres vanwege haar economische en sociale toestand niet (volledig) in haar basisbehoeften kan voorzien.
2. Volgens verweerder heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat de referent haar in Venezuela een reële en noodzakelijke ondersteuning heeft verleend. Eiseres heeft dit standpunt betwist.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd. Eiseres heeft een verklaring van de referent, een eigen verklaring en bankafschriften ingebracht. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de referent vanuit Nederland eiseres in Venezuela heeft ondersteund en op welke wijze dat is gebeurd. Terecht heeft verweerder aangevoerd dat dit slechts subjectieve verklaringen zijn. Deze verklaringen worden niet ondersteund door objectieve en verifieerbare bronnen. De bankafschriften geven onvoldoende ondersteuning aan de stelling dat de referent eiseres ten minste één jaar regelmatig geld heeft gestuurd waarmee eiseres in Venezuela in haar basisbehoefte heeft voorzien. Om die reden heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij reëel ondersteund is door de referent.
4. In een aanvraagsituatie als hier aan de orde ligt het op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat er sprake is van een situatie waarin zij voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking komt. Haar enkele stelling dat het voor haar praktisch onmogelijk is om bewijs te leveren voor de geldoverdracht en voor de wijze waarop dat gedaan is, leidt er niet toe dat zij in bewijsnood verkeert. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.
5. Uit de rechtsoverwegingen 3 en 4 volgt dus dat verweerder niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een reële ondersteuning door referent. Al om die reden heeft verweerder de aanvraag mogen afwijzen. Een bespreking van discussie over de vraag of de gestelde ondersteuning noodzakelijk was, is daarom niet meer nodig.
6. Op basis van de aanvraag en de bezwaargronden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat hij niet tot een andersluidend standpunt zou komen. Verweerder heeft er daarom van mogen afzien om eiseres te horen op haar bezwaar.
7. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Als gevolg hiervan is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 8.7, derde lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000
3.Op grond van paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000