ECLI:NL:RBDHA:2021:2981
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht aanvraag op grond van geen afhankelijkheidsverhouding met minderjarig kind
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij hij zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez en zijn zorgtaken voor zijn dochter die de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn dochter dat zij gedwongen zou worden de Europese Unie te verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
De rechtbank overwoog dat hoewel eiser zorgtaken verricht, de overgelegde stukken, waaronder een eindverslag van een observatiegroep en verklaringen van betrokkenen, niet aantonen dat eiser de verzorgende en bepalende ouder is. De moeder van de dochter wordt als hoofdverzorger gezien en de dochter verblijft regelmatig bij eiser, maar dit leidt niet tot een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet verplicht was nader onderzoek te doen omdat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsrecht aanvraag is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een afhankelijkheidsverhouding.