ECLI:NL:RBDHA:2021:2938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, verzocht op 1 augustus 2019 om een visum voor kort verblijf in Nederland met als doel familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren. Eiser voerde aan dat hij bij zijn zuster zou verblijven en voldoende binding met Marokko heeft, waaronder een baan als imam en familie in Marokko.
De rechtbank oordeelde dat eiser de familierechtelijke relatie met zijn referent niet met objectief bewijs had aangetoond, aangezien geboorteakten geen huwelijk tussen referent en zuster bevestigen en geen huwelijksakte was overgelegd. Tevens was er redelijke twijfel over het voornemen van eiser om Nederland tijdig te verlaten, mede vanwege zijn geringe sociale en economische binding. Eiser had onvoldoende bewijs geleverd van een structureel inkomen en de bankafschriften waren niet overtuigend.
De rechtbank verwierp ook het betoog van machtsmisbruik en het beroep op artikel 8 EVRM Pro over het recht op privé- en familieleven, aangezien een visum kort verblijf niet de juiste weg is om dat recht te effectueren. Het horen van eiser in bezwaar was niet verplicht omdat redelijkerwijs geen andersluidend besluit te verwachten was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.