ECLI:NL:RBDHA:2021:2921
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling mvv-vereiste op medische gronden voor verblijfsvergunning
Eiser, een Ghanees geboren in 1968, vroeg op 10 augustus 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan op tijdelijke humanitaire gronden vanwege medische behandeling. Verweerder wees deze aanvraag bij besluit van 24 mei 2019 af, omdat eiser niet de vereiste medische bewijsstukken had overgelegd om het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies te vragen. Dit besluit werd bevestigd bij het bestreden besluit van 14 januari 2020.
Eiser voerde aan dat hij wel de benodigde bewijsstukken had aangeleverd en dat het onredelijk was om hem opnieuw te verplichten deze te overleggen, omdat het BMA de termijn voor gebruik van de gegevens liet verstrijken. De rechtbank oordeelde dat verweerder eiser meerdere malen in de gelegenheid had gesteld om ontbrekende medische stukken aan te leveren, maar dat essentiële formulieren en medische gegevens van behandelaars ontbraken.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de overgelegde bewijsstukken van artsen op dezelfde afdeling voldoende waren en dat het BMA zelf informatie had moeten opvragen. Het beleid van verweerder en de Vreemdelingencirculaire 2000 schrijven voor dat het BMA niet om advies wordt gevraagd bij ontbrekende bewijsstukken. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het beroep ongegrond heeft verklaard en dat eiser niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op medische gronden wordt ongegrond verklaard.