Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.
Overwegingen
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Ghanese staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro, omdat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken zou verrichten voor zijn minderjarige dochter die de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind het grondgebied van de EU zou moeten verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
Eiser voerde aan dat hij zijn familieband had aangetoond met een DNA-test en dat de erkenning van het kind en inschrijving in de BRP op korte termijn zouden volgen. Hij stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van het kind en dat hij had moeten worden gehoord in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat eiser geen nieuwe bewijsstukken had aangevoerd en dat de door verweerder gemaakte afwegingen juist waren. De belangen van het kind zijn betrokken bij de beoordeling, maar eiser had onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk zorg draagt of dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat.
Verder stelde de rechtbank vast dat het horen in bezwaar achterwege mocht blijven omdat redelijkerwijs geen andere uitkomst te verwachten was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsaanvraag wordt ongegrond verklaard.