Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
Het misdrijf pleegde zij met haar toenmalige partner (verder: ‘vriend’).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
In deze zaak vordert eiseres dat de Staat haar op basis van de Belgische regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) eerder dan volgens de Nederlandse regeling in vrijheid stelt. Eiseres is veroordeeld in België tot 28 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van een levensdelict, waarna de straf is overgedragen aan Nederland. De Nederlandse minister heeft de Belgische straf erkend en aangepast tot 23 jaar, met toepassing van de Nederlandse v.i.-regeling waarbij v.i. mogelijk is na het uitzitten van twee derde van de straf.
Eiseres beroept zich op artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro., dat de minister bevoegdheid geeft om de buitenlandse v.i.-regeling toe te passen indien vaststaat dat v.i. in het land van veroordeling hoogstwaarschijnlijk zou zijn toegekend. De Staat weigert dit, stellende dat op het moment van erkenning van het vonnis (2018) niet met zekerheid of grote waarschijnlijkheid vaststond dat v.i. in België zou worden verleend.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat deze bevoegdheid ook na erkenning kan toepassen en dat de beoordeling niet beperkt is tot het moment van erkenning. De rechter stelt dat de Staat een serieuze, gemotiveerde onderbouwing van de Belgische autoriteiten moet vragen over de waarschijnlijkheid van v.i. De enkele garantie van de Belgische autoriteiten dat v.i. nooit na een derde van de straf zou zijn toegekend is onvoldoende. Omdat dit nog niet is gebeurd, is het te vroeg om de vordering toe te wijzen en wordt deze afgewezen.
Uitkomst: Vordering tot eerdere voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van waarschijnlijkheid door Belgische autoriteiten.