De werknemer trad op 1 april 2019 in dienst bij de werkgever op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 17 oktober 2019 werd door de directeur van de werkgever een toezegging gedaan dat bij het vinden van een nieuwe opdracht per 1 januari 2020 een vaste aanstelling zou volgen. De werknemer ontving later een jaarcontract en gaf aan hiermee niet akkoord te zijn, maar stemde uiteindelijk toch in met het contract voor bepaalde tijd dat liep tot 31 december 2020.
De kantonrechter beoordeelde of de arbeidsovereenkomst per 31 december 2020 van rechtswege was geëindigd of dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer stelde dat zij een vast contract had gekregen, maar de kantonrechter verwierp dit omdat de werknemer het aanbod van een vast contract niet had geaccepteerd en expliciet akkoord ging met een contract voor bepaalde tijd.
Ook het subsidiaire verweer dat sprake zou zijn van stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werd afgewezen. De kantonrechter concludeerde dat er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan en dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2020 is geëindigd. De overige verzoeken van de werknemer werden afgewezen en de proceskosten werden aan haar opgelegd.