ECLI:NL:RBDHA:2021:20
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak echtgenote van penningmeester wegens ontbreken medeplichtigheid aan verduistering kerkelijke gelden
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen de echtgenote van een man die grootschalig geld verduisterde van een kerkgenootschap. De verdachte was penningmeester van de kerkelijke organisatie van 1 januari 2010 tot 30 juni 2013. De officier van justitie beschuldigde haar van medeplichtigheid aan diefstal en verduistering door haar echtgenoot, die zonder functie binnen de kerk toegang hield tot bankpassen en geldbedragen verduisterde.
Tijdens de zittingen op 4 december 2019, 15 en 22 december 2020 werd vastgesteld dat de verdachte het gebruik van bankpassen door haar echtgenoot had toegestaan met toestemming van het kerkbestuur, en dat zij geen kennis had van de verduisteringen. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de verduisteringen gepleegd door haar echtgenoot.
De rechtbank benadrukte het vereiste van dubbel opzet voor medeplichtigheid en concludeerde dat dit ontbrak. De benadeelde partij, het kerkgenootschap, werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan verduistering wegens ontbreken van bewijs voor dubbel opzet.