Uitspraak
Proces-verbaal van de terechtzitting
[verdachte],
schorst het onderzoek tot de terechtzitting van 18 mei 2021 te 09.00 uur, opdat het onderzoek door de rechter-commissaris kan worden afgerond.
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde op 22 februari 2021 een strafzaak waarin de verdediging verzocht om het Openbaar Ministerie te verplichten aanvullende informatie te verstrekken over het bewaren en gebruik van Encrochat data, mede op grond van de Wet politiegegevens. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek onvoldoende aanleiding gaf binnen de strafzaak en wees het af. Tevens achtte de rechtbank het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie op dat moment prematuur, omdat de zaak feitelijk en juridisch nog niet voldoende was uitgekristalliseerd.
De verdediging stelde dat de rechtmatigheid van de Encrochatgegevens in de strafzaak moest worden getoetst, mede vanwege lopende Europese jurisprudentie en privacyaspecten. Het Openbaar Ministerie verweerde zich met verwijzing naar het vertrouwensbeginsel en eerdere rechterlijke toetsingen, waarbij werd benadrukt dat de richtlijn 2002/58 niet direct van toepassing is op strafzaken. De rechtbank volgde deze lijn en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor onregelmatigheden bij de bewijsvergaring.
Daarnaast verzocht de verdediging om schorsing van de voorlopige hechtenis, onderbouwd met een rapport van Forensisch Maatwerk en het ontbreken van ernstige bezwaren. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat de redenen voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig waren en het strafvorderlijk belang zwaarder woog dan het persoonlijk belang van de verdachte. De rechtbank achtte een aanvullend reclasseringsrapport niet noodzakelijk en bepaalde dat de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 en 19 mei 2021 zou plaatsvinden.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toevoeging van Encrochat gegevens en schorsing van de voorlopige hechtenis af.