ECLI:NL:RBDHA:2021:1863
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger militair invaliditeitspensioen wegens ontbreken dienstverband
Eiser, een voormalig militair die tussen 2008 en 2010 tweemaal naar Afghanistan werd uitgezonden, vroeg om een hoger militair invaliditeitspensioen. In eerdere medische beoordelingen werd een invaliditeitspercentage van 20,83% vastgesteld, gehandhaafd in 2014, en later vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een invaliditeitspercentage van 70% en aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen.
Verweerder, de staatssecretaris van Defensie, wees het verzoek tot verhoging van het invaliditeitspensioen af op basis van een verzekeringsgeneeskundig rapport waarin werd geconcludeerd dat voor de hart-, huid- en neurologische klachten geen dienstverband kon worden vastgesteld. Eiser stelde dat zijn klachten waren verergerd en legde aanvullende medische verklaringen over, maar deze boden volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor het aannemen van een dienstverband.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd was en dat de vaststellingsovereenkomst niet ter beoordeling stond. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het hoger militair invaliditeitspensioen wordt ongegrond verklaard.