Verzoeksters, handelaren in teakhout, verzochten de minister van Landbouw om een bestuurlijk rechtsoordeel over de voorgenomen import van een partij teakhout uit Myanmar, gebaseerd op de Europese Houtverordening. De minister weigerde dit rechtsoordeel te geven, wat verzoeksters aanvoerden als strijdig met hun rechten en hun bedrijfseconomische belangen ernstig zou schaden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de mededeling van de minister geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze mededeling geen wijziging van rechten of verplichtingen inhoudt. Hierdoor is de bestuursrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Verzoeksters voerden aan dat uitzonderlijke situaties recht geven op een bestuurlijk rechtsoordeel, maar de voorzieningenrechter achtte deze jurisprudentie niet van toepassing omdat hier geen besluit is geweigerd maar slechts een mededeling is gedaan. Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat het voortbestaan van de ondernemingen direct afhankelijk is van deze weigering.
De voorzieningenrechter verklaarde zich daarom onbevoegd en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.