Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:1815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2021
Publicatiedatum
2 maart 2021
Zaaknummer
NL20.20520
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van verzet tegen Dublin-besluit inzake asielaanvraag in Duitsland

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 22 december 2020, waarin zijn beroep tegen het besluit van 26 november 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond.

De rechtbank oordeelde dat opposant eerder een asielverzoek in Duitsland had ingediend en dat er geen bewijs was dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat sprake was van een situatie strijdig met artikel 4 van Pro het Handvest. De stellingen van opposant over zijn psychische gesteldheid en verwarring werden niet als voldoende onderbouwing gezien.

In het verzet is vastgesteld dat opposant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die twijfel kunnen doen ontstaan over de eerdere uitspraak. Ook kon opposant geen bewijsstukken overleggen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij illegaal in Turkije verbleef. De rechtbank handhaaft daarom de eerdere uitspraak en verklaart het verzet ongegrond.

Uitkomst: Het verzet tegen de eerdere uitspraak wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.20520

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[Opposant] , opposantV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 26 november 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 22 december 2020 heeft de rechtbank dat beroep zonder zitting ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting gelet op de aangevoerde gronden en in het licht van de bestendige en actuele jurisprudentie. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht omdat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat opposant eerder een asielverzoek in Duitsland heeft ingediend, en dat daarmee vast staat dat opposant daar om internationale bescherming heeft verzocht. De enkele en niet onderbouwde stelling van opposant dat hij verward was, zijn psychische gesteldheid niet goed was en dat hij in Duitsland geen asiel wilde aanvragen, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat opposant geen documenten heeft overgelegd die tot het oordeel leiden dat er in Duitsland sprake is van een situatie die strijdig is met artikel 4 van Pro het Handvest en is ook niet door opposant aangetoond dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank in de eerste plaats of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep terecht zonder zitting behandeld, omdat het kennelijk ongegrond is. De rechtbank stelt vast dat wat opposant in verzet aanvoert niet nieuw is ten opzichte van wat hij in beroep heeft aangevoerd en dat dit door de rechtbank is betrokken bij de uitspraak. Gelet hierop, in samenhang met de vaste rechtspraak dat in het geval van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond was.
Het is de rechtbank in verzet niet gebleken dat er nieuwe feiten een omstandigheden zijn die bij een normale behandeling van het beroep ook aangevoerd hadden kunnen worden en die maken dat twijfel ontstaat over de uitspraak van de bestreden uitspraak of de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het is de rechtbank in verzet niet gebleken dat opposant thans bewijsstukken kan overleggen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij illegaal in Turkije heeft verbleven. Dat opposant weinig tijd zou hebben gehad om zijn documenten te verzamelen, ter bevestiging van zijn illegale verblijf in Turkije, volgt de rechtbank niet. Dat geldt ook voor de stelling dat ten aanzien van Duitsland niet uit zou mogen worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan opposant om zijn aanvraag te onderbouwen, maar daar is hij niet in geslaagd. De rechtbank is van oordeel dat het niet zo is dat opposant in beroep meer duidelijkheid had kunnen scheppen dan reeds zonder zitting is gebleken.
4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in de uitspraak van 22 december 2020 terecht geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel ongegrond is.
5. Het verzet is ongegrond. De uitspraak waartegen verzet is gedaan blijft in stand.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Biermann, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.