ECLI:NL:RBDHA:2021:17309
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid pleegrelatie Eritrese broers
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor een Eritrese broer die wilde nareizen naar Nederland onder het pleegkindcriterium. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen omdat de feitelijke gezinsband tussen de eiser en zijn broer, de referent, niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank toetste de bewijsvoering rond de familierechtelijke relatie, het overlijden van de ouders, de duur en reden van opname in het gezin van de referent, de financiële afhankelijkheid en de voogdij.
De rechtbank concludeerde dat de overgelegde doopaktes onvoldoende bewijs vormden voor de familierechtelijke relatie. Het overlijden van de moeder werd niet aannemelijk geacht vanwege tegenstrijdige verklaringen en gebrek aan officiële documenten. Het overlijden van de vader was wel aannemelijker, maar niet doorslaggevend. Ook de opname van eiser in het gezin van de referent en de financiële afhankelijkheid waren onvoldoende onderbouwd. De rechtbank vond dat de pleegrelatie niet aannemelijk was gemaakt.
Daarmee was het beroep ongegrond en werd de afwijzing van de mvv bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de pleegrelatie.