ECLI:NL:RBDHA:2021:17110
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen door Staatssecretaris
Eiser heeft op 14 april 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Staatssecretaris op zijn aanvraag. De Staatssecretaris nam pas op 27 juli 2020 een inwilligend besluit, waarna een dwangsom van €184 werd toegekend. Op 25 augustus 2020 werd het beroep gegrond verklaard wegens niet tijdig beslissen, waarop eiser verzet aantekende. Dit verzet werd op 10 februari 2021 gegrond verklaard en de dwangsom werd uitbetaald.
Vervolgens trok eiser het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit in en verzocht de rechtbank om de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris de proceskosten van €374 moet vergoeden aan eiser, omdat de beslissing pas na het beroep en gegrond verklaard verzet werd genomen. De vergoeding is vastgesteld op een vast bedrag, met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van de zaak.
De rechtbank veroordeelde de Staatssecretaris tot betaling van dit bedrag aan eiser. Er werden geen aanvullende kosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter S.G.M. van Veen en griffier M. Bos op 11 oktober 2021.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €374 aan proceskosten aan eiser wegens niet tijdig beslissen.