ECLI:NL:RBDHA:2021:17109
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens te late indiening en afwijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 27 mei 2020. Het beroepschrift was ingediend op 29 juni 2020, terwijl de uiterste termijn 24 juni 2020 was, waardoor het beroep te laat was ingediend.
Eiser voerde aan dat de coronacrisis het tijdig indienen van het beroep onmogelijk maakte vanwege het ontbreken van persoonlijk overleg met zijn gemachtigde. De rechtbank oordeelde dat dit geen geldige reden is, omdat eiser zelf verantwoordelijk is voor tijdige indiening en ook een pro-forma beroep mogelijk was geweest.
De rechtbank benadrukte dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift een fatale termijn van openbare orde betreft die ambtshalve moet worden gehandhaafd. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening, gericht op het verbod van uitzetting totdat op het beroep is beslist, afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen de uitspraak op het beroep staat verzet open binnen zes weken, terwijl tegen de afwijzing van de voorlopige voorziening geen rechtsmiddel bestaat.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.