Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , verzoekster(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel)
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1vallen de relaties tussen volwassen verwanten niet altijd onder de bescherming van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit is pas het geval als er buiten de normale affectieve banden bijkomende elementen van afhankelijkheid worden aangetoond, zodat sprake is van meer dan de gebruikelijke emotionele afhankelijkheid. Kortgezegd; in deze zaak moet tussen verzoekster en haar vader sprake zijn van een sterkere band dan gebruikelijk tussen een vader en zijn meerderjarige dochter, waarvan sprake zou kunnen zijn als haar vader van verzoekster afhankelijk is. Bij de vraag of sprake is van deze afhankelijkheid mag zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht worden toegekend aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door verzoekster benodigde zorg geven. Daarnaast kunnen financiële of materiële afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst en de beoordeling van het bestaan van hechte persoonlijke banden van belang zijn.
Gelet op wat verzoekster heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht, is het primaire besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd. Verweerder moet in de bezwaarfase in het licht van wat verzoekster heeft aangevoerd nader onderzoeken en motiveren in hoeverre zijn standpunt kan standhouden dat al lange tijd geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen verzoekster en haar vader. Daarbij moet verweerder met name aandacht besteden aan de stelling van verzoekster dat juist doordat haar vader zich nu in de laatste fase van zijn leven bevindt de banden tussen hen zeer zijn geïntensiveerd. Ook moet verweerder in het licht van wat verzoekster heeft aangevoerd nader onderzoeken en motiveren of zijn standpunt, dat ten aanzien van de taken van verzoekster als mentor niet is gebleken dat deze taak enkel en alleen in Nederland uitgeoefend kan worden, nog kan worden volgehouden. Dat tegen de achtergrond dat verzoekster als benoemd mentor voor haar vader verantwoordelijk is voor het regelen van zijn persoonlijke verzorging, zijn verpleging, zijn behandeling en zijn begeleiding. Verder moet verweerder nader onderzoeken en motiveren of zijn standpunt dat het primaire besluit niet onredelijk hard is voor verzoekster, gelet op de feiten en omstandigheden die zij heeft aangevoerd, aanpassing behoeft.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.