ECLI:NL:RBDHA:2021:17014
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke zaak
Verzoeker, van Poolse nationaliteit, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin was vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard in het bestreden besluit van 30 juni 2021. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 22 november 2021. Verzoeker vroeg tevens vrijstelling van griffierecht vanwege gebrek aan inkomen en vermogen, wat werd toegekend op basis van de overgelegde verklaring.
Bij uitspraak van dezelfde datum in de hoofdzaak werd het beroep ongegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard en een voorlopige voorziening niet langer nodig is.