ECLI:NL:RBDHA:2021:16981
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onjuiste vertrektermijn in verwijderingsbesluit en herstel naar termijn van een maand
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, werd geconfronteerd met een verwijderingsbesluit waarin een vertrektermijn van 28 dagen werd gehanteerd. De rechtbank oordeelde dat deze termijn niet in overeenstemming is met artikel 30, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, waarin een termijn van minimaal een maand wordt voorgeschreven, en dat de termijn van 28 dagen te kort is.
De rechtbank overwoog dat het uitreiken van het verwijderingsbesluit aan het begin van de detentie van eiser niet in strijd is met de Verblijfsrichtlijn en dat de bezwaarprocedure bedoeld is voor heroverweging van het verblijf, niet voor het verkrijgen van extra verblijfsrecht. De detentie is een omstandigheid voor rekening van eiser, die ook in detentie zijn vertrek kan voorbereiden.
Hoewel de vertrektermijn onjuist was vastgesteld, stelde de rechtbank vast dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad, omdat de termijn reeds was verstreken ten tijde van het bestreden besluit. De belangenafweging van verweerder werd als zorgvuldig en rechtmatig beoordeeld, waarbij ook de overlast en strafrechtelijke feiten van eiser werden betrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herstelde de vertrektermijn op een maand. Daarnaast werd eiser vrijgesteld van griffierecht en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het verwijderingsbesluit wegens een te korte vertrektermijn en stelt deze vast op een maand.