ECLI:NL:RBDHA:2021:16940
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoekster had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen. De reden was dat de Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van haar aanvraag.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 14 september 2021.
Bij uitspraak van dezelfde dag in de hoofdzaak (zaaknummer NL21.13821) werd het beroep behandeld, waardoor de voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet langer nodig was en het verzoek daarom werd afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, en bekendgemaakt op 21 september 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.