ECLI:NL:RBDHA:2021:16814
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens verbroken feitelijke gezinsband
Eisers, van Somalische nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen tot machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij de heer referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft.
De primaire aanvragen werden afgewezen omdat ze prematuur waren ingediend. Na bezwaar en intrekking van eerdere besluiten, wees de staatssecretaris het bezwaar opnieuw af. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de referent ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was en daarom als minderjarige moet worden beschouwd in de nareisprocedure.
De kern van het geschil betrof de feitelijke gezinsband tussen de referent en eisers, met name eiseres 1. De staatssecretaris stelde dat deze gezinsband was verbroken vanwege zelfstandigheid, een duurzame relatie en een verwacht kind van de referent. De rechtbank bevestigde dat de gezinsband ten tijde van vertrek bestond, maar inmiddels verbroken was, en dat dit ook geldt voor de overige eisers.
Het beroep op bijzondere omstandigheden op grond van artikel 4:84 Awb Pro werd verworpen omdat het tijdsverloop tussen aanvraag en besluit onvoldoende is voor afwijking. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis worden ongegrond verklaard wegens verbroken feitelijke gezinsband.