ECLI:NL:RBDHA:2021:16617

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 oktober 2021
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
NL21.14947 en NL21.14991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 11 oktober 2021 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een Nigeriaanse eiser die in beroep ging tegen een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring. De eiser, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, had op 19 september 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd gekregen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Ossenbruggen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor zijn stelling dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring op de juiste grondslag was opgelegd, namelijk op basis van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft de beroepsgronden van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl en er kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.14947 en NL21.14991
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2021 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is geregistreerd onder nummer NL21.14991. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is geregistreerd onder nummer NL21.14947. Dit laatste beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.O. Luesink Obasuyi Ugiagbe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
Over bestreden besluit 2 (NL21.14947)
Grondslag
2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring niet rechtmatig is opgelegd. De grondslag van de maatregel had niet artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw mogen zijn. Eiser heeft namelijk rechtmatig verblijf in Nederland, omdat hij op 29 september 2021 een
aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft gedaan op grond van zijn duurzame relatie met zijn partner, die rechtmatig in Nederland verblijft. De partner van eiser heeft een baan en ze wonen samen in Amsterdam. Ten onrechte heeft er geen grondslagwijziging plaatsgevonden na de aanvraag om toetsing aan het EU-recht. De bewaringsrechter moet deze aanvraag om rechtmatig verblijf zelfstandig toetsen.
3. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in de uitspraak van 28 juni 20211 heeft bepaald dat het in de eerste plaats aan eiser is om tijdens het gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. Verweerder moet vervolgens, mede op basis van het geheel aan verklaringen, al dan niet ondersteund met documenten, beoordelen of sprake is van voldoende concrete aanknopingspunten die erop duiden dat de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht heeft. Als die verklaringen voldoende concrete aanknopingspunten bieden, is verweerder gehouden het mogelijke bestaan van een afgeleid verblijfsrecht nader te onderzoeken.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor zijn stelling dat sprake is van rechtmatig verblijf. In het proces- verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling van 19 september 2021, waarbij een beëdigde tolk aanwezig was, staat dat eiser het volgende heeft verklaard:
‘Ik heb geen vaste woon- of verblijfplaats. Ik heb een onderkomen in de Bijlmermeer in Amsterdam, maar ik weet het adres niet. Ik heb een vriendin uit Angola die daar verblijft, daar kan ik terecht.’
en
‘Ik heb hier geen familie of kinderen. Ik heb al enige tijd een vriendin die uit Angola komt. Voor zover ik weet heeft zij een verblijfsvergunning in Portugal.’
Deze verklaringen maken niet dat verweerder gehouden was nader onderzoek te verrichten naar het mogelijke bestaan van een afgeleid Unierechtelijk verblijfsrecht. Dit betekent dat verweerder de maatregel van bewaring op de juiste grondslag heeft opgelegd. De enkele omstandigheid dat eiser op 29 september 2021 een aanvraag om toetsing aan het EU-recht heeft ingediend, maakt zijn verblijf in Nederland niet rechtmatig. De in beroep overgelegde documenten, waaronder verklaringen van derden ter ondersteuning van eisers aanvraag, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft dus terecht de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, opgelegd. Omzetting van de grondslag van de maatregel van bewaring was dus niet nodig. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden2 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging
2 Artikel 5.1b,derde lid., van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; 3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden3 vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a, 3b, 3d en 3f en de lichte grond 4c, 4d en 4e worden betwist. Ter zitting heeft verweerder de zware grond 3f laten vallen.
7. Ten aanzien van de zware gronden 3a en 3d voert eiser aan dat daaruit geen onttrekkingsgevaar blijkt, gezien de huidige stand van zaken, namelijk de aanvraag om toetsing aan het EU-recht. Dat deze gronden feitelijk juist zijn doet niet af aan het feit dat moet blijken dat de bewaring noodzakelijk is.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak4 kan verweerder met betrekking tot de zware gronden van de maatregel van bewaring volstaan met de toelichting waaruit de feitelijke juistheid van de gronden blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a en 3d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser is namelijk niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen, omdat hij niet beschikt over een geldig paspoort. Daarnaast is eiser drie keer betrapt op het valselijk gebruiken van andermans documenten, waardoor hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit.
9. De zware gronden 3a en 3d en de niet bestreden grond 4f zijn voldoende om aan te nemen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet en de rechtbank laat de overige geschilpunten over de gronden van bewaring onbesproken.
Over bestreden besluit 1 (NL21.14991)
10. In het terugkeerbesluit, dat tevens een inreisverbod van twee jaar omvat, heeft verweerder vastgesteld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daarin naast de gronden, vermeld in de maatregel van bewaring als zware grond opgenomen dat eiser:
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verzocht de beroepsgrond die betrekking heeft op de bewaringsgronden, ook als beroepsgrond te betrekken bij de beoordeling van het terugkeerbesluit, dat tevens een inreisverbod van twee jaar omvat. Verder zijn er geen
3 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4 Uitspraak van de ABRvS van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
nadere beroepsgronden ingediend die betrekking hebben op het terugkeerbesluit dan wel het inreisverbod.
12. De rechtbank volstaat daarom met te verwijzen naar hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van het beroep tegen de maatregel van bewaring. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Over de beroepen
13. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
11 oktober 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.