ECLI:NL:RBDHA:2021:16595

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
13 juli 2022
Zaaknummer
NL21.9108
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b lid 1 onder h Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende zwaarwegend asielrelaas over medische zorg en discriminatie

Eiser, een Turkse staatsburger met Koerdische afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege medische problemen en discriminatie in Turkije. Hij stelde dat hij vanwege zijn etniciteit en het ontbreken van adequate medische zorg niet veilig kon terugkeren.

De staatssecretaris wees het verzoek af omdat het asielrelaas weliswaar geloofwaardig werd geacht, maar onvoldoende zwaarwegend was om te concluderen dat eiser een vluchteling was of een reëel risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn situatie in Turkije onhoudbaar was.

De rechtbank overwoog dat eiser toegang had tot medische zorg, ook al was deze via een privéziekenhuis en gefinancierd door de verkoop van een woning. Dit was onvoldoende om te spreken van verdragsrechtelijke vervolging. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende zwaarwegend asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9108
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 11 juni 2019 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021. Eiser en verweerder zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is in het bezit van een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid van [naam] .
3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij in Turkije niet de medische behandeling kan krijgen die hij nodig heeft. Ook ontvangt hij geen hulp van de Turkse autoriteiten vanwege zijn Koerdische afkomst en omdat hij geen lid is van de regerende
partij, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AK-partij). Bij eiser is in 2012 longkanker geconstateerd. Hiervoor is hij in een privéziekenhuis in Turkije behandeld.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Discriminatie wegens zijn Koerdische etniciteit.
Verweerder heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht, maar vindt deze elementen onvoldoende zwaarwegend om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan te nemen. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert in beroep aan dat hij met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat hij uitgesloten is geweest van de reguliere gezondheidszorg in Turkije en niet de financiële middelen heeft om zijn medische behandeling voort te zetten bij de particuliere gezondheidszorg. Daarnaast had verweerder zwaarder gewicht moeten toekennen aan het feit dat er een hoger risico is op terugkeer van de kanker indien geen periodieke controles plaatsvinden.
6. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht. De vraag die in beroep tussen partijen speelt is of het asielrelaas van eiser voldoende zwaarwegend is voor de verlening van een asielvergunning. Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of er bij eiser sprake is (geweest) van dusdanige substantiële discriminatie dat het leven voor hem in Turkije onhoudbaar is (geworden).
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden problemen een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheid opleveren dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Turkije te functioneren. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser toegang had tot medische zorg in Turkije. Dat deze medische zorg aan eiser is verleend in een privéziekenhuis en dat de bekostiging daarvan door de verkoop van de woning van de vader van eiser plaatsvond, hoe moeilijk ook, levert onvoldoende
grond op om tot een verdragsrechtelijke vervolgingsgrond te concluderen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder hierover. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden en door middels vanop zijn persoon betrekking hebbende verklaringen zijn stelling dat zijn leven onhoudbaar is geworden, aannemelijk te maken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.