ECLI:NL:RBDHA:2021:16425
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking verblijfsvergunning mensenhandel slachtoffer
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, heeft op 8 december 2020 aangifte gedaan van mensenhandel, waarna hem een verblijfsvergunning werd verleend. Deze vergunning is per 21 december 2020 ingetrokken door verweerder, omdat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek voortijdig heeft beëindigd en eiser niet langer noodzakelijk is voor het onderzoek.
Eiser betoogt dat het beleid zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 een te restrictieve interpretatie is van Richtlijn 2004/81/EG, en dat zijn aanwezigheid ook voor andere mensenhandelzaken relevant kan zijn. Tevens stelt hij dat de hoge bewijsdrempel voor een humanitaire verblijfsvergunning een lege huls is, waardoor bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb Pro van toepassing zouden moeten zijn.
De rechtbank volgt deze argumenten niet. Uit de richtlijn blijkt dat de aanwezigheid van de vreemdeling dienstig moet zijn voor een strafrechtelijk onderzoek of gerechtelijke procedure. Aangezien het OM heeft aangegeven dat eisers aanwezigheid niet langer noodzakelijk is en er geen aanwijzingen zijn voor andere procedures, is de intrekking terecht. Ook zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die een afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.