ECLI:NL:RBDHA:2021:16421
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling proceskosten na beroep tegen niet tijdig nemen dwangsombesluit
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig vaststellen van de hoogte van een bestuurlijke dwangsom door verweerder. Verweerder had op 6 november 2020 een besluit genomen en op 10 februari 2021 alsnog een dwangsombesluit genomen, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vroeg.
Verweerder stelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat een ingebrekestelling op grond van artikel 4:17 Awb Pro niet ziet op ambtshalve besluiten en dat een ingebrekestelling geen aanvraag is, waardoor het beroep niet ontvankelijk zou zijn. De rechtbank verwierp dit standpunt en verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit wel ontvankelijk is na een geldige ingebrekestelling.
De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling van 11 januari 2021 geldig was en dat het beroep ontvankelijk is. Vervolgens werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op €374,-, waarbij rekening werd gehouden met de beperkte aard van het geschil. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €374,- aan proceskosten aan verzoeker wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.