ECLI:NL:RBDHA:2021:16279
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens COVID-19 en volksgezondheidsrisico
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 21 februari 2020 een visum voor kort verblijf aan om zijn oom in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 5 maart 2020 af vanwege onvoldoende aantoning van het doel en de omstandigheden van het verblijf en het ontbreken van zekerheid dat eiser Nederland tijdig zou verlaten.
Eiser maakte bezwaar, dat op 18 juni 2020 ongegrond werd verklaard. De afwijzing werd mede gebaseerd op het risico voor de volksgezondheid door de uitbraak van COVID-19, waarbij een Europees inreisverbod gold. Eiser stelde dat de beslissing op bezwaar had moeten worden aangehouden vanwege versoepeling van reisbeperkingen vanaf 1 juli 2020 en dat hij had moeten worden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat de Minister niet verplicht was de beslissing op bezwaar uit te stellen, omdat onduidelijk was hoe lang de beperkingen zouden duren. Ook was er sprake van een dwingende weigeringsgrond op grond van de Visumcode en Schengengrenscode. Horen was niet verplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.