ECLI:NL:RBDHA:2021:16277
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens covid-19 en volksgezondheidsrisico
Eiser, een Turkse nationaliteit, vroeg een visum kort verblijf aan voor een bezoek aan zijn schoonouders in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs voor het doel en de omstandigheden van het verblijf en het niet aannemelijk maken van het vertrek voor het verstrijken van het visum.
Het bezwaar van eiser werd ongegrond verklaard omdat vanwege de uitbraak van het coronavirus eiser werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid. Eiser stelde dat verweerder het bezwaar tegen eerdere afwijzingsgronden niet inhoudelijk had behandeld en dat dit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en de hoorplicht.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen op basis van een dwingende weigeringsgrond uit de Visumcode en dat het niet nodig was eerdere gronden te bespreken. Ook was het afzien van een hoorzitting gerechtvaardigd omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank toetste ex-tunc en zag geen reden voor ex-nunc toetsing. Het beroep werd ongegrond verklaard en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het risico voor de volksgezondheid door covid-19.