ECLI:NL:RBDHA:2021:16248
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na afwijzing asielverblijfsvergunning
Verzoekster, van Eritrese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 30 juni 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek samen met een gerelateerde zaak op 20 juli 2021 behandeld, waarbij verzoekster is verschenen met een tolk en bijstand.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster haar beroep niet mocht afwachten, gezien de afwijzing als kennelijk ongegrond, en dat er geen strijd is met het arrest Gnandi. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer nodig en wijst het verzoek af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen en de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan.