ECLI:NL:RBDHA:2021:16234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2021
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
AWB 20/3843
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 84 onder b VwVerordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens corona-inreisverbod en onvoldoende uitzonderingsgrond

Eisers, met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen op 13 november 2019 een visum kort verblijf aan voor vakantie in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, onvoldoende financiële middelen en onvoldoende binding met Marokko. Bij bezwaar werd de afwijzing gehandhaafd, nu eisers vanwege het corona-inreisverbod een gevaar voor de volksgezondheid vormden.

Eisers voerden aan dat de minister nadere voorwaarden had kunnen stellen en dat zij niet gehoord waren over de gewijzigde afwijzingsgrond in bezwaar, wat volgens hen in strijd was met de interne werkinstructie. De rechtbank stelde vast dat het corona-inreisverbod een categorisch verbod voor derdelanders inhield en dat eisers niet onder een uitzondering vielen. De Visumcode biedt geen ruimte voor voorwaardelijke visums.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet hoefde te horen omdat het duidelijk was dat eisers geen uitzonderingscategorieën vervulden en het horen geen ander besluit zou hebben opgeleverd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het corona-inreisverbod en het ontbreken van uitzonderingsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres,

mede namens de minderjarigen
[minderjarige 1] ,V-nummer: [v-nummer] , en,
[minderjarige 2] ,V-nummer: [v-nummer] ,
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een visum kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 8 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-beeldverbinding plaatsgevonden op 8 juli 2021.
Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Referent, de heer [referent] , is ook ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eisers stellen dat zij de Marokkaanse nationaliteit hebben en dat zij respectievelijk zijn geboren op [1987] , [2015] en [2018] . Eisers hebben op 13 november 2019 een visum voor kort verblijf aangevraagd voor vakantie in Nederland.
Reden van afwijzing
2. In het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen, omdat eisers het doel en de omstandigheden van hun voorgenomen verblijf onvoldoende hadden aangetoond. Verder hebben eisers ook niet aangetoond dat zij over voldoende geld beschikten om hun verblijf in Nederland en hun terugreis naar Marokko te bekostigen. Tot slot vindt verweerder dat eisers te weinig sociale en economische binding met Marokko hebben. Als gevolg hiervan kan verweerder niet vaststellen of eisers vóór het verstrijken van de duur van het visum het grondgebied van de lidstaten zullen verlaten.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder gepersisteerd in de afwijzing van de aanvraag. Aan deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers vanwege de coronapandemie kunnen worden beschouwd als een gevaar voor de volksgezondheid.
Standpunt van eisers
4. Eisers zijn het niet eens met de beslissing van verweerder en voeren het volgende aan. Ten eerste had verweerder nadere voorwaarden kunnen stellen aan het verlenen van het visum. Zoals bijvoorbeeld dat pas gebruik kan worden gemaakt van het visum wanneer er geen reisrestricties meer gelden. Ten tweede kan verweerder niet zomaar een andere afwijzingsgrond gebruiken in de beslissing op bezwaar, zonder eisers daarover te horen.
Door niet te horen heeft verweerder in strijd gehandeld met zijn eigen Werkinstructie 2019/16, waarin is opgenomen dat gehoord dient te worden indien de afwijzingsgrond in eerste aanleg in bezwaar door een andere wordt vervangen.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de Nederlandse overheid beschermende maatregelen had genomen vanwege de coronapandemie. Het betreft hier een categoriaal inreisverbod voor derdelanders. Ook is niet in geschil dat eisers niet onder één van de uitzonderingcategorieën op het inreisverbod vallen. De visumaanvraag was namelijk gericht op vakantie. Verweerder mocht de visumaanvraag dan ook afwijzen vanwege gevaar voor de volksgezondheid. Ook is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de Visumcode [1] geen ruimte biedt voor het verlenen van een voorwaardelijk visum. Voor zover eisers betogen dat verweerder de beslissing op bezwaar had moeten aanhouden, stelt verweerder terecht dat een visumaanvraag wordt getoetst in het licht van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden. Er bestaat geen verplichting om daarbij ook rekening te houden met eventuele, op dat moment nog onzekere, omstandigheden in de toekomst. Op het moment van het bestreden besluit was het Europees inreisverbod van kracht en was onduidelijk wanneer en eventueel voor hoe lang de maatregelen verlengd zouden worden.
6. De rechtbank oordeelt ook dat verweerder eisers niet hoefde te horen. [2] Verweerder heeft dus af kunnen wijken van het uitgangspunt in de Werkinstructie 2019/16 dat wel wordt gehoord als sprake is van een nieuwe afwijzingsgrond in bezwaar. De reden daarvoor is dat uit de aanvraag voor het visum en het bezwaarschrift voldoende duidelijk bleek dat eisers geen reizigers waren met een essentiële functie en dat er ook geen concrete aanknopingspunten waren dat eisers op een andere manier onder één van de uitzonderingscategorieën van het Europese inreisverbod zouden kunnen vallen. Gelet op de categoriale weigering en het feit dat eisers niet onder een uitzonderingscategorie vielen, had het horen niet tot een ander besluit kunnen leiden.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).
2.Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.