Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres,
[minderjarige 1] ,V-nummer: [v-nummer] , en,
Rechtbank Den Haag
Eisers, met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen op 13 november 2019 een visum kort verblijf aan voor vakantie in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf, onvoldoende financiële middelen en onvoldoende binding met Marokko. Bij bezwaar werd de afwijzing gehandhaafd, nu eisers vanwege het corona-inreisverbod een gevaar voor de volksgezondheid vormden.
Eisers voerden aan dat de minister nadere voorwaarden had kunnen stellen en dat zij niet gehoord waren over de gewijzigde afwijzingsgrond in bezwaar, wat volgens hen in strijd was met de interne werkinstructie. De rechtbank stelde vast dat het corona-inreisverbod een categorisch verbod voor derdelanders inhield en dat eisers niet onder een uitzondering vielen. De Visumcode biedt geen ruimte voor voorwaardelijke visums.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet hoefde te horen omdat het duidelijk was dat eisers geen uitzonderingscategorieën vervulden en het horen geen ander besluit zou hebben opgeleverd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege het corona-inreisverbod en het ontbreken van uitzonderingsgronden.