ECLI:NL:RBDHA:2021:16203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 augustus 2021
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
NL21.11476 en NL21.11477
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring moeder en minderjarige dochter onrechtmatig, schadevergoeding toegekend aan kind

De moeder en haar minderjarige dochter werden op 14 juli 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring werd op 19 juli 2021 opgeheven nadat bleek dat de grondslag voor de bewaring onjuist was. De moeder en dochter stelden beroep in tegen deze bewaring en vroegen tevens om schadevergoeding.

De Staatssecretaris bood de moeder een schadevergoeding aan van €600,- voor de periode van bewaring en een proceskostenvergoeding van €748,-. De rechtbank verklaarde het beroep van de moeder niet-ontvankelijk omdat het procesbelang was komen te vervallen door het aanbod van schadevergoeding.

Ten aanzien van de minderjarige dochter stelde de Staatssecretaris dat zij geen schadevergoeding toekomt omdat zij te jong was om besef te hebben van de bewaring en zij bij haar moeder verbleef. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was gemotiveerd en dat het kind wel degelijk schade had geleden door de onrechtmatige vrijheidsontneming.

De rechtbank kende daarom aan het minderjarige kind een schadevergoeding toe van €600,- voor zes dagen onrechtmatige bewaring. Tevens veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van de proceskosten van €748,-, te betalen aan de rechtsbijstandverlener van eisers.

De uitspraak werd gedaan door rechter D. Verduijn op 3 augustus 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Beroep moeder niet-ontvankelijk; beroep minderjarige dochter gegrond en schadevergoeding van €600,- toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.11476 en NL21.11477
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres 1], V-nummer: [v-nummer] (eiseres)
en haar minderjarige dochter:
[eiseres 2], V-nummer: [v-nummer] hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluiten van 14 juli 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 19 juli 2021 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 juli 2021 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen dat zij de Nigeriaanse nationaliteit hebben en zijn geboren op respectievelijk [1997] en [2021] .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Verweerder heeft in een brief van 23 juli 2021 bericht dat is gebleken dat eisers op een onjuiste grondslag in bewaring verbleven. Verweerder heeft daarom schadevergoeding aangeboden aan eiseres voor de periode van 14 juli 2021 tot 19 juli 2021, zijnde 6 x € 100,- voor het verblijf in een huis van bewaring, hetgeen in totaal een bedrag van € 600,- maakt. Ook is verweerder bereid de proceskosten tot een bedrag van één punt (€ 748,-) te vergoeden.
Over het beroep met zaaknummer NL21.11476
4. Aangezien eiseres een volledige schadevergoeding en proceskostenvergoeding is aangeboden voor de onrechtmatige vrijheidsbeneming, heeft zij geen procesbelang bij het door haar ingestelde beroep. De rechtbank ziet daarom aanleiding om haar beroep, met zaaknummer NL21.11476, niet-ontvankelijk te verklaren.
Over het beroep met zaaknummer NL21.11477
5. Ten aanzien van de minderjarige dochter van eiseres stelt verweerder zich op het standpunt dat zij niet in aanmerking komt voor schadevergoeding, omdat het gaat om een kind van een paar maanden oud dat geen weet of besef heeft gehad van de inbewaringstelling. Ook verbleef ze bij haar moeder. Ze heeft volgens verweerder daarom geen schade geleden.
6. Eiseres voert aan dat haar minderjarige dochter wel schadevergoeding moet ontvangen, omdat zij ook onrechtmatig van haar vrijheid is beroofd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen schade heeft geleden. Kinderen van onder de drie jaar kunnen al veel oppikken en haar moeder, eiseres, was gestrest over de inbewaringstelling en over haar toeren. Dit heeft dus wel degelijk invloed gehad op het kind. Daarbij zat ze ook in een andere omgeving.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan het minderjarige kind van eiseres geen schadevergoeding is toegekend. Verweerder heeft ter zitting erkend dat dit niet is gebaseerd op enig beleid of op jurisprudentie. Vast staat dat het kind onterecht in bewaring is gesteld en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen schade heeft geleden. De beroepsgrond slaagt.
8. De rechtbank acht daarom gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen aan het minderjarige kind voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 6 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1), omdat verweerder al één punt heeft toegekend. Omdat het om samenhangende zaken gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding om tweemaal proceskostenvergoeding toe te kennen. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL21.11476 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL21.11477 gegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan het minderjarige kind van eiseres tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
03 augustus 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. D. Verduijn T.R. Vos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.