ECLI:NL:RBDHA:2021:16026
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak beëindiging verblijfsrecht EU-burger
Verzoeker, van Surinaamse nationaliteit, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn verblijfsrecht als EU-burger te beëindigen en een inreisverbod van tien jaar op te leggen. Nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd ingediend om de gevolgen van het bestreden besluit te schorsen gedurende de beroepsprocedure. Tijdens de zitting was verzoeker aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, evenals een trajectbegeleider. De Staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu het beroep inhoudelijk door de rechtbank was behandeld en een uitspraak was gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.