ECLI:NL:RBDHA:2021:15899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
NL20.15615
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 62 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 6.3 Voorschrift Vreemdelingen
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit wegens onrechtmatig verblijf ongegrond verklaard

Eiser, van Georgische nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend die in 2016 werd afgewezen en onherroepelijk werd verklaard in 2017. Hij reisde in januari 2020 Nederland binnen zonder rechtmatig verblijf. Op 28 juli 2020 legde de Staatssecretaris een terugkeerbesluit op met de verplichting binnen 28 dagen de EU te verlaten.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit maar keerde in september 2020 terug naar Georgië. Hij voerde aan dat telefonisch contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst was geweest om verlenging van de vertrektermijn te verzoeken vanwege corona, maar kon dit niet onderbouwen met stukken.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was opgelegd omdat eiser geen aanvraag tot verlenging van de vertrektermijn had ingediend en het beroep op het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk was gemaakt. Ook de corona-omstandigheden rechtvaardigden geen afzien van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en eiser moet de EU verlaten.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.15615
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1989, van Georgische nationaliteit,eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

1. Op 14 oktober 2016 heeft verweerder eisers aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde afgewezen. Op 19 januari 2017 heeft verweerder eisers bezwaren tegen dit besluit ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 4 augustus 2017 is het besluit van 19 januari 2017 onherroepelijk geworden.
1.1.
Eiser is laatstelijk op 27 januari 2020 Nederland ingereisd.
1.2.
Op 28 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin eiser de verplichting is opgelegd dat hij binnen een termijn van 28 dagen de Europese Unie dient te verlaten.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Op 7 september 2020 is eiser teruggekeerd naar Georgië.
1.5.
Verweerder heeft bij wijze van verweerschrift verwezen naar het bestreden besluit.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 19 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
zaaknummer: NL20.15615 2

Overwegingen

2. De rechtbank overweegt dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep gelet op het bepaalde in artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Op grond van dit artikelonderdeel kan immers een inreisverbod worden opgelegd van ten hoogste vijf jaar als de vreemdeling onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit.
3. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het terugkeerbesluit terecht aan eiser is opgelegd. Eiser verbleef immers al langer dan drie maanden in de Europese Unie en had daarom geen rechtmatig verblijf in Nederland meer. Eiser heeft dit niet betwist.
4. Op grond van artikel 62, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen, kan verweerder de vertrektermijn in individuele gevallen verlengen als de vreemdeling in persoon daartoe een aanvraag indient. Vaststaat dat eiser zo’n aanvraag niet heeft gedaan.
5. Eiser heeft aangevoerd dat zijn vader telefonisch contact heeft opgenomen met (onder andere) de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) en heeft verzocht om verlenging van de vertrektermijn vanwege corona. Eiser stelt dat toen is gezegd dat deze melding zou worden geregistreerd en dat het feit dat hij niet kan terugkeren verschoonbaar is, maar dat niet mogelijk was om een schriftelijke bevestiging van hiervan toe te zenden.
6. Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat eiser aannemelijk maakt dat van de kant van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat die uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend.
7. Eiser heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk kunnen maken nu hij geen stukken heeft ter onderbouwing van de gestelde telefonische contacten. Ook heeft eiser zijn stelling dat de telefonische melding zou zijn geregistreerd niet aannemelijk gemaakt.
8. De (enkele) stelling dat eiser vanwege de corona-omstandigheden niet aan zijn vertrekplicht kon voldoen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder van het terugkeerbesluit had moeten afzien. Bovendien is eiser op 7 september 2020 teruggekeerd naar Georgië en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de gehele periode na het verstrijken van de vrije termijn, vanwege corona niet terug kon keren naar Georgië.
9. Dat verweerder vanwege eisers persoonlijke omstandigheden had moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit, volgt de rechtbank niet. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser deze persoonlijke omstandigheden niet nader heeft gesteld.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. zaaknummer: NL20.15615 3
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021 door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
zaaknummer: NL20.15615 4
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
21 april 2021
Mr. C.M. Dijksterhuis
Rechter
Rechtbank Midden-Nederland
N.R. Hoogenberk
Griffier
Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.