Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Beslissing
Overwegingen
Vrijstelling van het griffierecht
Achtergrond
Standpunten van partijen
Rechtbank Den Haag
Eiser, een minderjarige van Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familielid bij een referent. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van de familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders, wat een vereiste is volgens de Vreemdelingencirculaire.
Eiser overhandigde een doopakte en kopieën van identiteitsbewijzen van zijn ouders, maar deze documenten werden door de rechtbank als onvoldoende en niet substantieel beoordeeld. Verweerder hoefde daarom geen DNA-onderzoek aan te bieden. De rechtbank oordeelde dat het niet onredelijk was om te eisen dat eiser de familierechtelijke relatie aantoonde.
De rechtbank ging niet in op andere bezwaren omdat de essentiële voorwaarde van het aantonen van de familierechtelijke relatie niet was vervuld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tevens werd eiser vrijstelling van griffierecht verleend vanwege zijn omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie.