ECLI:NL:RBDHA:2021:15843
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
Verzoekster, een Zweedse gemeenschapsonderdaan, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat zij geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna verzoekster beroep instelde bij de rechtbank.
Tegelijkertijd verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het beroep in de hoofdzaak ongegrond verklaard en geoordeeld dat er geen grond is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.