Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
,eiser
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft op 10 maart 2020 een visum kort verblijf aangevraagd voor familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag bij besluit van 19 maart 2020 afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond.
In het bestreden besluit van 5 november 2020 handhaafde de minister deze afwijzing en voegde als grond toe dat eiser vanwege de coronapandemie als gevaar voor de volksgezondheid werd beschouwd. Tevens stelde de minister dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had aangetoond.
Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte een standaardafwijzing toepaste zonder individuele beoordeling en dat hij een visum onder voorwaarden had kunnen verstrekken. Ook stelde hij dat de minister niet op de bezwaargronden was ingegaan en dat hij niet over de nieuwe afwijzingsgrond was gehoord.
De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod vanwege de coronapandemie een geldige zelfstandige afwijzingsgrond vormde en dat eiser niet onder een uitzondering viel. De minister mocht op grond van artikel 7:11 Awb Pro een volledige heroverweging doen en een nieuwe weigeringsgrond aanvoeren zonder hoorplicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege gevaar voor de volksgezondheid en onvoldoende binding met het land van herkomst.