ECLI:NL:RBDHA:2021:15749
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende economische binding en COVID-19 beperkingen
Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd om haar echtgenoot te bezoeken, maar de aanvraag werd afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode. De afwijzing berustte op drie gronden: onvoldoende aantoonbaar doel en omstandigheden van het verblijf, redelijke twijfel over tijdige terugkeer vanwege gebrek aan sociale en economische binding met Marokko, en een bedreiging voor de volksgezondheid door COVID-19.
Eiseres stelde dat zij wel economische binding heeft, onder meer door haar recente dienstverband en zorg voor haar ouders, en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij het doel van het verblijf niet heeft aangetoond. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de economische binding onvoldoende is aangetoond, mede omdat essentiële gegevens zoals salaris en arbeidsduur ontbraken.
Verder vond de rechtbank dat verweerder terecht afzag van het horen van eiseres in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank volgde eiseres niet in haar beroep op het winterbewaarprei-arrest en stelde dat de afwijzing op de economische binding zelfstandig voldoende was om het visum te weigeren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende economische binding en COVID-19 beperkingen.