Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer 3] en
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer 4] ,
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde vier zaken waarin verzoekers, allen Russische nationaliteit, beroep instelden tegen besluiten van 9 april 2021 waarbij de maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de bewaring op 19 april 2021 opgeheven, waarna verzoekers hun beroepen introkken en proceskostenvergoeding vorderden.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking niet het gevolg was van een herziening van het bestuursorgaan die erkent dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was, maar vanwege nieuwe feiten, namelijk de weigering van een coronatest door verzoekers. Verzoekers hadden geen gronden aangevoerd waarom de bewaring onrechtmatig was. Daarom was geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond en besloot zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Verduijn en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 4 mei 2021.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door het bestuursorgaan.