ECLI:NL:RBDHA:2021:15668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
18 februari 2022
Zaaknummer
AWB 20/7500
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Art. 6 TerugkeerrichtlijnArt. 62, derde lid Vreemdelingenwet 2000Art. 6.3 Voorschrift Vreemdelingen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod wegens niet-rechtmatig verblijf tijdens coronapandemie

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit en het daarbij behorende inreisverbod ongegrond verklaard. Het bestreden besluit, genomen op 9 september 2020 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verplicht eiser de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en legt een inreisverbod van twee jaar op.

Eiser erkent niet langer rechtmatig in Nederland te verblijven, maar voert aan dat terugkeer naar Marokko vanwege de coronapandemie onmogelijk is door lockdowns en stilgelegd vliegverkeer. Daarnaast beroept hij zich op familiebanden in Nederland en Spanje, waardoor het inreisverbod hem ernstig zou treffen.

De rechtbank oordeelt dat de Staatssecretaris terecht het terugkeerbesluit heeft genomen, aangezien eiser niet rechtmatig verblijft en geen aanvraag tot verlenging van de vertrektermijn heeft ingediend. De coronapandemie vormt geen grond om af te zien van het terugkeerbesluit. Het inreisverbod is eveneens terecht opgelegd, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank vindt de motivering van het besluit deugdelijk en wijst het beroep af.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7500
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Ibrahim).

Procesverloop

In het besluit van 9 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Aan het terugkeerbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken [1] . Omdat verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, heeft verweerder ook een inreisverbod uitgevaardigd [2] . Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden dat afgezien zou moeten worden van dit inreisverbod.
2. Eiser is het hier niet mee eens. Over het terugkeerbesluit voert hij aan dat het in principe klopt dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens eiser kan dit hem echter niet worden verweten, omdat hij vanwege de uitbraak van het corona-virus niet kan terugkeren naar Marokko. Zowel in Nederland als in Marokko is er een lockdown en ligt het vliegverkeer plat. Over het inreisverbod voert hij aan dat hij familie heeft in Nederland en Spanje. Door het inreisverbod kan hij hen gedurende twee jaar niet opzoeken. Volgens eiser heeft verweerder hier onvoldoende rekening mee gehouden bij het uitvaardigen van het inreisverbod.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit en het daaraan gekoppelde inreisverbod heeft uitgevaardigd.
3.1.
Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat op hem de plicht rustte om de Europese Unie te verlaten. In zo’n geval is verweerder verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen [3] . In de uitbraak van het Corona-virus heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om dit niet te doen. Het enkele feit dat eiser mogelijk door de uitbraak van het Corona-virus niet heeft kunnen vertrekken, leidt niet tot onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Daar komt bij dat verweerder de vertrektermijn in individuele gevallen kan verlengen als de vreemdeling in persoon daartoe een aanvraag indient [4] . Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser een dergelijke aanvraag heeft ingediend. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eisers verdere verblijf werd gedoogd vanwege de uitbraak van het Corona-virus.
3.2.
Omdat eiser Nederland moet verlaten én onbestreden is dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, heeft verweerder terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur hiervan te verkorten. Uit het proces-verbaal van gehoor over het inreisverbod van 9 september 2020 blijkt dat eiser is gevraagd naar familieleden in Nederland of ergens anders in de Europese Unie. Eiser heeft daarop alleen verklaard dat hij veel familie heeft in Nederland (tante, zus en neven). Verder is eiser gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod of het verkorten van de duur daarvan. Eiser heeft daarop naar voren gebracht dat in Marokko alles minder is en de daar de omstandigheden slechter zijn geworden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, met de motivering dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat van het uitvaardigen van het inreisverbod zou moeten worden afgezien, deugdelijk gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd [5] .
4. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw
3.Op grond van artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
4.Op grond van artikel 62, derde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:57).