ECLI:NL:RBDHA:2021:15600
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM na belangenafweging
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familieleven (artikel 8 EVRM Pro). Deze aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarnaast werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel was uitgevallen, met name omdat de belangen van zijn kinderen onvoldoende waren meegewogen en hij een wezenlijke rol vervult in het gezin. De rechtbank stelde vast dat verweerder het gezinsleven tussen eiser, zijn partner en kinderen erkende, maar dat de belangenafweging redelijk was gemaakt, mede omdat eiser het gezinsleven is aangegaan zonder geldige verblijfsvergunning en er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten.
Hoewel verweerder niet expliciet op alle stukken, zoals een individueel psychologisch rapport, was ingegaan, werd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat eiser hierdoor niet benadeeld was. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is, het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.